Vierkante flessen – Hans van Rossum

De Romeinse glasblazers hebben met behulp van een meerdelige mal in werkelijk grote aantallen vierkante flessen geblazen. Daarnaast bestaan er varianten op deze vorm, maar deze komen veel minder voor. Zo zijn er flessen met zes of acht zijden en deze meerzijdige uitvoeringen worden respectievelijk hexagonaal en octagonaal genoemd. Een andere variant is de rechthoekig gevormde fles. Al deze verschillend uitgevoerde flessen, met als overeenkomst een uit vier of meer vlakke zijden bestaand lichaam, vormen de groep van de prismatische flessen. Met de ribschalen en de aryballoi behoren de vierkante flessen tot de meest gevraagde en langst voorkomende glasvormen in de Romeinse tijd.

fabricagetechniek
Dankzij veel wetenschappelijk onderzoek is niet alleen bekend hoe en met welke techniek deze flessen werden gemaakt, maar ook waar de glasblazers van deze stabiele glasvorm gevestigd waren. Door vondsten van mallen en mede doordat op de flessen veelal sporen van gereedschap zijn teruggevonden bleek het mogelijk de fabricagetechniek te reconstrueren. Daarbij is vastgesteld dat de glasblazer voor vierkante flessen mallen heeft gebruikt die uit vijf onderling uitneembare elementen hebben bestaan. De bodems van de mallen waren meestal van een harder materiaal gemaakt dan de vier zijwanden. De reden hiervoor was dat in de bodems van de flessen een zogeheten bodemmerk werd aangebracht en de glasblazer wilde graag van dat maldeel met bodemmerk zo lang mogelijk plezier hebben. Daarom werd dit deel van de mal van extra hard gebakken aardewerk of steen gemaakt, zodat de afdruk in het glas lang en goed zichtbaar bleef. De zijwanden van de mal daarentegen bestonden meestal uit houten plankjes die natgemaakt waren. Er zijn ook enkele mallen teruggevonden waarvan de zijwanden van steen waren. Was er sprake van hout dan moest dat uiteraard eerder vervangen worden dan wanneer er steen of aardewerk werd gebruikt. De bodems met bodemmerken zijn slechts zeer incidenteel bewaard gebleven, maar er zijn wel vondsten van bekend. Zo is er een bodem gevonden waarbij het bodemmerk bestaat uit drie in elkaar aangebrachte cirkels. Ook is er een bodem gevonden met een merk in de vorm van een centraal aangebrachte cirkel en op de hoeken van de bodem vier haakse hoeken, als een visuele begrenzing van de geblazen flessenbodem. Voordat de glasblazer de fles ging blazen bestrooide hij de bodem met grafiet of fijn zand om een isolerende laag aan te brengen tussen de mal en het hete glas. De vier maldelen van de zijden reikten slechts tot de schouder van de fles. De schouder, hals en greep werden vrij geblazen en gevormd uit de resterende glasmassa. Dat is een duidelijk verschil met glasvormen als sprenkelaars, waarvan het gehele lichaam in een mal werd geblazen. Om de schouder, hals, mond en daarna ook de greep te kunnen vormen moest de fles na het blazen van de blaaspijp afgeslagen worden. Het was daarbij dan wel noodzakelijk dat de fles eerst op een andere wijze gefixeerd werd. Dat kon met behulp van een pontil of door het glas met een beklede tang vast te houden. Zijn er restanten van een pontil op de onderzijde van de fles te zien dan is er geen tang gebruikt bij het afwerken van de bovenste delen. Zijn er op de bodem geen sporen van een pontil te herkennen, dan werd de fles met een tang vastgehouden. Soms zijn de sporen van het gebruik van een tang nog op de fles zichtbaar.

chronologie
De chronologie van vierkante flessen kan vooral bepaald worden aan de wijze waarop de mond en de greep zijn gevormd. De oudste flessen die op het eind van de eerste en in het begin van de tweede eeuw na Chr. gemaakt zijn hebben een triangelvormige mond. De rand van de mond is bij het vouwen naar het midden enigszins omhoog gelegd en doet denken aan de vorm van een triangel. De greep uit deze periode is fijn ‘’gekamd’’. Dat wil zeggen dat er heel veel dunne ribben naast elkaar zijn gevormd, waardoor het op het werk van een kam lijkt. Deze greep wordt ook wel selderijgreep genoemd. Tegelijkertijd werden er grepen gemaakt van een zwaar uitgevoerde dubbele rib. De bodemmerken uit deze periode zijn te herkennen aan de zeer zorgvuldige wijze waarop deze met scherp aangebrachte lijnen zijn aangebracht. De flessen uit de tweede eeuw na Chr. hebben doorgaans een glad afgewerkte mond en de selderijgrepen zijn onzorgvuldiger ‘’gekamd’’ of geribbeld. Een ander kenmerk voor de productie in deze periode betreft de bodemmerken die minder scherp getekend en minder accuraat aangebracht zijn. De glasblazer besteedde in de tweede eeuw na Chr. dus minder aandacht aan de afwerking van zijn product, minder in elk geval dan zijn collega uit de voorgaande eeuw. Aan het eind van de tweede en in het begin van de derde eeuw na Chr. zet deze tendens door. De grepen werden toen nog maar flauw ‘’gekamd’’ en ook niet meer over de volle breedte. De randen bleven zelfs onbewerkt. De glasblazer uit die tijd lijkt het allemaal wel te geloven. Na de derde eeuw na Chr. stopte de productie van vierkante flessen in de noordwestelijke provincies van het rijk en werden ze vervangen door cilindrische flessen.

bodemmerken
De gebruikte bodemmerken zijn ruwweg in zeven groepen onder te verdelen. Die waarbij namen van de makers of letters als afkortingen van die namen werden gebruikt komen slechts sporadisch voor. Er zijn voorbeelden bekend waarbij de naam C. SALVIVS GRATVS of afgekort CSGR werd gebruikt. Deze zijn alleen in Zuid-Duitsland en Noord-Italië gevonden en dit zou kunnen betekenen dat de productie van deze flessen beperkt was tot een werkplaats die in een van beide regio’s was gevestigd. Het is nog niet duidelijk of het bodemmerk staat voor de naam van de glasblazer of voor die van de eigenaar van de desbetreffende werkplaats. Het zou ook nog kunnen dat de naam verwijst naar de leverancier van de inhoud. De glasblazers maakten ook bodemmerken waarbij letters dienden als verwijzing naar de plaats van herkomst. Zo staan de letters CCAA voor Colonia Claudia Ara Agrippinensium, de Romeinse naam voor het hedendaagse Keulen. Bodemmerken met afbeeldingen van menselijke figuren of dieren komen zeer zelden voor. Wel is er een kleine flesvorm bekend met een afbeelding van de god Mercurius als bodemmerk. Een andere groep bodemmerken bestaat uit florale motieven zoals rozetten en gestileerde palmbladeren die ook wel palmetten worden genoemd. Deze motieven zijn veel vaker gebruikt en werden dan meestal binnen een cirkel geplaatst. Erg in trek waren ornamentele bodemstempels met geometrische motieven of in elkaar geplaatste cirkels met in het midden een ronde bobbel. Een combinatie van cirkels en geometrische motieven werd ook op grote schaal toegepast, zoals bij het eerder genoemde voorbeeld van een centraal geplaatste cirkel in combinatie met vier winkelhaken op de hoeken. Het bodemmerk dat het meest werd gebruikt bestond uitsluitend uit concentrisch geplaatste cirkels. Hoewel op de overgrote meerderheid van vierkante flessen een bodemmerk is aangebracht kan het ook nog dat de bodem helemaal geen merk heeft, maar dat komt veel minder vaak voor.

gebruik en verpakking
Prismatische flessen werden primair gebruikt voor het transport van vloeibare stoffen zoals bijvoorbeeld olie. Na transport werden de flessen secundair vaak nog lang gebruikt voor opslag. Van de context waarbinnen ze als voorraadflessen werden gebruikt bestaan afbeeldingen. De sarcofaag die door de mijnwerker Andreas Wierts op 11 december 1930 in Simpelveld is gevonden geeft daarvan een goed voorbeeld. De zandstenen sarcofaag, die nu in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden staat opgesteld, is aan de binnenzijde helemaal gebeeldhouwd. In reliëf is de inrichting van een luxe woning waaronder een kastje met daarop twee vierkante en een cilindrische fles weergegeven. In dit geval waren de flessen dus in de woonruimte geplaatst en dienden als voorraadfles. Het lijkt waarschijnlijk dat voor het transport van de flessen verpakkingsmateriaal werd gebruikt. Dat kunnen gevlochten rieten korven zijn geweest maar ook houten kisten. Dit verpakkingsmateriaal is echter zeer zelden bewaard gebleven. Hooguit is het gebruikte metalen beslag ervan teruggevonden, zoals in Pompeï, de Romeinse stad in de buurt van Napels die in het jaar 79 na Chr. door de uitbarsting van de Vesuvius werd bedolven onder de lava. Daar zijn in het huis dat bekend staat als ‘Casa del Menandro’ vier vierkante flessen van een klein formaat gevonden in een exact op maat gemaakte houten kist. Het hout was natuurlijk vergaan, maar het bronzen beslag daarvan is bewaard gebleven. Ook in graven zijn regelmatig meerdere vierkante flessen bij elkaar gevonden. Dat is vooral het geval geweest bij vrouwengraven uit de derde eeuw Na Chr. in België en het Rijnland. In een vrouwengraf dat ontdekt is in Callatis in Roemenië zijn vijf vierkante flessen zonder greep aangetroffen die oorspronkelijk in een houten kist hebben gestaan. Het mooiste voorbeeld van een Romeins graf waarin zeszijdige flessen waren bijgezet lag dichter bij huis en wel in Nijmegen. Hier zijn in een graf dat deel uitmaakte van een grafveld in de omgeving van de Kamstraat tien zeszijdige en een grote cilindrisch gevormde fles gevonden. Waarmee de flessen oorspronkelijk allemaal gevuld konden zijn is moeilijk na te gaan omdat de inhoud meestal vergaan is. Sporen van de oorspronkelijke inhoud zijn uiteraard wel geanalyseerd en daaruit kwam naar voren dat het in die gevallen ging om olie of een olieachtige substantie en dus geen wijn wat algemeen steeds werd aangenomen.


Een fles om te vervoeren

De Romeinen waren altijd innoverend bezig. Nadat de metalen blaaspijp was ontdekt konden er kannen worden geblazen. Kannen blazen was één maar kannen vervoeren was twee. De kannen waren niet zo stabiel dat ze per schip of handkar zonder al te veel problemen vervoerd konden worden. Daar werd dan ook over nagedacht en het ei van Gaius Columbus was natuurlijk het blazen van een vierkante fles. Deze kon goed vervoerd worden omdat de vorm zich leende voor de diverse methoden van transport. Vierkante flessen konden passend in een krat worden geplaatst en ze konden stevig vastgesnoerd worden. Het was een vorm waar je vierkant achter kon staan.