Grote en kleine potten – Hans van Rossum

Grote glazen potten werden vanaf de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. door de Romeinse glasblazers gemaakt en dienden voor de opslag van vaste stoffen. Door de uitvinding van de metalen blaaspijp konden ze in vrij dik glas gemaakt worden. Dat was natuurlijk praktisch bij het regelmatige gebruik ervan op een stenen ondergrond. Grote glazen potten werden doorgaans in blauwgroen, soms in geelgroen en slechts incidenteel in kleuren als kobaltblauw of aubergine geblazen. Deze potten dienden als voorraadpot in de keuken en in winkels. Tot het moment dat de Christelijke kerk het cremeren zou verbieden werd grote potten soms een tweede leven gegund, maar dan als grafurn. In tegenstelling tot de echte grafurnen van glas hadden zij geen deksel en meestal ook geen handgrepen. Daarnaast waren er grote glazen potten die specifiek en alleen gemaakt waren om dienst te doen als urn voor de crematieresten van een overledene. Deze potten werden vaak ter bescherming van het glas in een loden container geplaatst die met een eveneens loden deksel kon worden afgesloten. Relatief veel van deze loden containers zijn bewaard gebleven. De grafurn werd alleen in die gebieden van het grote Romeinse Rijk gebruikt waar het lichaam van de overledene ook daadwerkelijk werd gecremeerd en dat betrof het gehele noordwesten van het rijk inclusief Italië en Spanje, tot en met Noord Afrika. In het oosten van het Romeinse Rijk kwamen deze grafurnen niet of nauwelijks voor. Nooit werden grafurnen van glas in nederzettingen of militaire versterkingen gevonden maar altijd alleen op begraafplaatsen en in tombes daar buiten. Dat bewijst onomstotelijk dat grafurnen alleen voor het bewaren van crematieresten werden gemaakt en aangewend. Dit in tegenstelling tot andere grote potten die als voorraadpotten werden gebruikt maar daarna soms nog dienst deden als urn voor crematieresten. Glazen urnen hadden altijd een deksel en twee grepen, die in verschillende uitvoeringen werden gemaakt. De grepen zijn meestal gemaakt in een boogvorm of in de vorm van de letter ‘M’. Nadat het christendom in de vierde eeuw na Chr. tot staatsgodsdienst was verheven zou het gebruik van grafurnen snel afnemen omdat de kerk alleen nog het begraven van overledenen toestond.

kleine potjes
Kleine potjes, gemaakt door Romeinse glasblazers, bestaan in talloze vormen, kleurstellingen en decoraties. Ze zijn voornamelijk te dateren in de derde en de vierde eeuw na Chr. en niet in de eerste en minder in de tweede eeuw. Een uitzondering hierop zijn cosmeticapotjes die uitsluitend in de eerste eeuw of vroeg in de tweede eeuw na Chr. werden gemaakt. Dit cilindrisch gevormde potje werd in het Grieks pyxis genoemd en deze term wordt ook voor dezelfde glasvorm uit de Romeinse periode gebruikt. De inhoud van een pyxis bestond meestal uit kostbare zalf en dat verklaart dat het potje vaak was voorzien van een dekseltje dat de inhoud kon beschermen. Vooral vanaf de vierde eeuw na Chr. waren kleine potjes volop in gebruik en werden ze met name in de Syrische en Palestijnse gebieden op grote schaal gemaakt. Het aantal potjes dat hier werd opgegraven is enorm en alleen al in dit gebied gaat het om ongeveer twintig verschillende vormen en uitvoeringen. In verreweg de meeste gevallen werden de kleine potjes bolrond gevormd en zijn ze aan de onderzijde plat. Een voet of ring als basis komt alleen bij enkele typisch Syrische modellen voor. Kleine potjes werden vaak voorzien van een decoratie, maar de manier waarop deze werd aangebracht of uitgevoerd is nogal verschillend. Zo bestaan er exemplaren waarbij het lichaam is versierd met behulp van een glasdraad die in een grillig zigzagmotief is aangebracht. Bij andere potjes is de decoratie veel rustiger uitgevoerd en bestaat dan uit een dunne glasdraad die egaal en gelijkmatig rond het lichaam is aangebracht. Een andere uitvoering doet door de aangebrachte booggreep denken aan een miniatuur boodschappenmandje. Dit grappig ogende type is bovendien soms uitbundig met glasdraad gedecoreerd. Verder bestaan er potjes waarbij de decoratie is ontstaan door met een pincetvormige tang stukjes glas uit te trekken en in weer andere gevallen zijn ribben als versiering op het lichaam aangebracht. Potjes die uitgevoerd zijn met een bolronde deksel met in het midden daarvan een rond gat zouden kunnen zijn gebruikt als inktpotjes.

potjes met grepen
Regelmatig werden potjes met een, twee of meerdere greepjes gemaakt maar deze greepjes hadden niet echt een functie en waren dan ook puur decoratief bedoeld. Vanaf de vierde en vijfde eeuw na Chr. hebben potjes in het algemeen een groot en wijd gevormde mond die in de meeste gevallen vrij glad is gevormd en waarbij de rand werd afgewerkt door deze naar binnen te vouwen. Kenmerkend voor potjes die vanaf de vierde eeuw na Chr. werden gemaakt is de mondrand die een naar buiten gevormde holle flens bezit. Het is een indicatie dat deze potjes in elk geval niet voor vloeistoffen werden gebruikt en dat er dus ook niet uit gedronken werd. Dat laatste was alleen al vanwege de soms talrijk aangebrachte greepjes onmogelijk. In Giv’at Sharet, een plaats die in Israël ligt, is in een graftombe een potje met een dergelijke mondrand ontdekt. Het is uitgevoerd met twee greepjes en verrassend was de ontdekking dat de inhoud ervan sporen van cannabis vertoonde. Dat werd in die tijd toegepast voor medicinale doeleinden en niet voor zaken waar het vandaag voor wordt gebruikt. Het kan dus goed mogelijk zijn dat een deel van de kleine potjes was bedoeld om er fijne plantaardige materialen of geneeskrachtige kruiden in te bewaren. Daarnaast kunnen kleine potjes ook best deel hebben uitgemaakt van het tafelservies, maar het is lastig dit nu nog aan te tonen. De potjes zijn lang geleden als bijgift geplaatst in het graf van een overledene. Het voordeel daarvan is dat ze bewaard zijn gebleven, het nadeel is dat er geen originele context bestaat waarin deze potjes werden gebruikt. Wat verder opvalt bij deze kleine potjes is de veelheid aan glaskleuren en de soms uitbundig toegepaste decoraties. Dat zijn duidelijke kenmerken voor de vroeg-Byzantijnse periode. Deze begint, zoals eerder al is vermeld, in het jaar 330 na Chr. toen keizer Constantijn de Grote bepaalde dat de stad Byzantium aan de Bosporus voortaan Constantinopel moest gaan heten en de nieuwe hoofdstad alsmede het nieuwe administratieve hart van het Romeinse Keizerrijk werd. Het glaswerk uit de vroeg-Byzantijnse periode is dan ook duidelijk beïnvloed door oosterse tradities van decoreren en dat betekende concreet: kleurrijk en vooral uitbundig.


Potjes met geuren en in kleuren

Grote potten gebruikten de Romeinen niet alleen om voedsel boven de grond maar ook om een overleden en gecremeerde huisgenoot onder de grond in te bewaren. Vreemde combinatie zult u denken en dat is het natuurlijk ook, maar wel eervol zo een tweede leven voor een grote glazen pot. Ook de kleine potjes vallen op twee manieren op. Door de geuren van de kruiden of specerijen die er ongetwijfeld in bewaard werden en door de rijkdom aan glaskleuren of uitbundigheid aan decoraties die bij de fabricage van deze potjes werd toegepast. Oriëntaalse kleurrijkheid in combinatie met oosters temperament zijn de kenmerken van een nieuw tijdperk dat gedurende de vierde eeuw de opvolger zal worden van deze laat-Romeinse periode en de geschiedenis in zal gaan als de Byzantijnse periode. Ook voor de glasblazers gaat er veel veranderen want de smaak en de mode zullen zich wijzigen door deze nieuwe invloeden.