Sprenkelaars en pelgrimsflesjes – Hans van Rossum

Sprenkelaars en pelgrimsflesjes zijn twee typen flesjes die met elkaar gemeen hebben dat ze in een bepaald opzicht van de gebruikelijke glasvormen afwijken. Met een sprenkelaar wordt een flesje bedoeld waarbij zich op de overgang van de hals naar het buiklichaam een schotje bevindt met in het midden daarvan een kleine ronde opening. Het flesje werd gemaakt om gevuld te worden met een parfumachtige vloeistof als geurende olie of rozenwater. Door het op zijn kop te houden en op en neer te bewegen kon men zich daarmee besprenkelen. De vloeistof kwam er dan druppelsgewijs uit. Dit doet denken aan het gebruik dat dames tot in het derde kwart van de vorige eeuw steevast een fles Boldoot eau de cologne in hun handtas bij zich hadden. Ze gebruikten die om er van tijd tot tijd een zakdoek mee te besprenkelen en daarmee over het voorhoofd en het gezicht te wrijven. Zo genoten de dames van de verfrissende werking van de Boldoot.

vroegste sprenkelaars
Sprenkelaars hebben hun oorsprong in de Syrisch – Palestijnse gebieden en werden daar voor het eerst in de eerste helft van de derde eeuw na Chr. gemaakt. Het maken van een sprenkelaar was een betrekkelijk eenvoudig proces. De glasblazer drukte met een vrij scherp voorwerp de hals aan de onderkant rondom in, waarna het lichaam omhoog werd gedrukt zodat de hals en het lichaam weer helemaal aansloten en de schijf in de hals was gevormd. Het gat om te kunnen druppelen werd daarna met een priem of puntig voorwerp in de schijf gedraaid. De vroegste exemplaren van sprenkelaars zijn gevonden in Dura Europos, een belangrijke Romeinse stad aan de Tigris op het kruispunt van twee wegen in Oost-Syrië. De hier gevonden druppelaars moeten dateren van voor 256 na Chr. omdat de stad in dat jaar door de Sassenen of Parthen werd veroverd. Via de bestaande handelsroutes kwamen de sprenkelaars in andere regio’s van het oostelijk Middellandse Zeegebied terecht waar ze vanaf dat moment ook geproduceerd zouden gaan worden. De sprenkelaar lijkt altijd een typisch regionaal product voor die gebieden gebleven te zijn. Nooit werden archeologische bewijzen gevonden dat in de noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk gewone sprenkelaars zijn gemaakt en slechts bij hoge uitzondering zijn ze er gevonden. Een in Keulen gevonden uiterst curieuze vorm werd zeer waarschijnlijk niet als sprenkelaar gebruikt. Verderop in de tekst wordt duidelijk gemaakt waarom dit het geval moet zijn geweest.

De sprenkelaars werden in glaskleuren als groen, blauwgroen, geel, amber en aubergine gemaakt en konden op diverse manieren worden uitgevoerd of gedecoreerd. Onder andere in Dura Europos zijn exemplaren gevonden waarvan het lichaam uitgeknepen vinnen heeft. Soms rusten ze op een aantal kleine en puntig gevormde pootjes. Als men dit laatste type omdraait doet de vorm, door de manier waarop de pootjes en de uitgeknepen vinnen zijn gemaakt, denken aan een granaatappel. Daarom wordt dit type granaatappelflesje genoemd. Het was een populaire vorm wat waarschijnlijk te danken was aan het fruitsymbool dat geassocieerd werd met schoonheid en vruchtbaarheid. Het aanbrengen van deze decoraties deed de glasblazer door met een pincet of een tangetje deeltjes uit het nog hete glas te trekken. Deze decoratietechniek werd ook bij andere glasvormen toegepast.

Zowel in Dura Europos als elders zijn ook volledig in een mal gevormde sprenkelaars gevonden. Bij deze sprenkelaars werd het lichaam voorzien van ruit- of rechthoekvormen. Het in een verhoogd reliëf aangebrachte ruitmotief behoort tot de vroegste en meest toegepaste motieven. De uitvoering doet denken aan dat van een honingraat. Andere exemplaren hebben een schubachtig motief waardoor het buiklichaam geassocieerd wordt met een dennenappel. Minder voorkomend is het motief van geometrische patronen of wijnranken.

Uit Keulen zijn een paar flesjes bekend die daar gedurende de derde eeuw na Chr. waarschijnlijk in hetzelfde atelier werden gemaakt waar het slangendraad-motief als decoratie werd toegepast. De sprenkeltechniek werd daar op een bijzondere wijze toegepast, namelijk bij een flesje dat in de vorm van een gehelmd hoofd werd geblazen. Omdat dit type sprenkelaar met de mondopening naar beneden neergezet moest worden, lijkt het meer als curiositeit bedoeld dan dat het daadwerkelijk als sprenkelaar gebruikt kon worden. Ondersteboven staand zou het immers leeglopen.

latere uitvoeringen
In de vierde eeuw na Chr. werd de tot dan toe min of meer traditionele vorm van een in een mal geblazen bolrond flesje gewijzigd. Er ontstonden in die periode nieuwe uitvoeringen van de sprenkelaar en de afmetingen veranderden. Er werden nu kleinere flesjes gemaakt die vrij of optisch werden geblazen en met greepjes werden uitgevoerd of met pootjes zodat ze konden staan. Zo is er een optisch geblazen sprenkelaar met een naar boven toe taps toelopend lichaam. Het heeft in verhouding tot het lichaam een zeer groot uitgevoerde kraagrand waarop zes kleine greepjes zijn aangebracht.

De meerderheid van sprenkelaars in de vierde eeuw na Chr. bestond echter uit vooral grotere vormen die ook twee of meerdelig gevormde grepen kregen aangemeten. Daarbij bleef de glasblazer deze sprenkelaars nog wel eerst in een mal blazen, maar nu alleen nog maar met de bedoeling een eenvoudige ribbendecoratie aan te brengen. In een aantal gevallen zorgde de glasblazer er voor dat de vertikale lijn van de ribben ook het eindresultaat was en het lichaam dus blijvend verticale ribben had. In verreweg de meeste gevallen werd door de constant roterende beweging van de blaaspijp de verticale lijn gewijzigd in een diagonale lijn. Het aardige van op deze manier gevormde ribben is dat van het glas afgelezen kan worden of het door een rechtshandige of een linkshandige glasblazer is gemaakt, zoals in een eerder hoofdstuk al is uitgelegd. De productie van sprenkelaars heeft tot laat in de vierde eeuw en misschien zelfs tot in de vijfde eeuw na Chr. plaatsgevonden.

het pelgrimsflesje
Het zogeheten pelgrimsflesje is weer op een geheel andere wijze afwijkend van de tot dan toe gebruikelijke glasmodellen. Het is typisch een vorm die ontstaan is als gevolg van een historische gebeurtenis, in dit geval het verheffen van het christendom tot staatsgodsdienst. Het ronde lichaam van dit type flesje is plat ofwel lensvormig en dat is de reden dat het een lensvormig flesje wordt genoemd. Een andere benaming voor deze specifieke vorm is ‘pelgrimsflesje’ omdat het idee bestond dat deze flesjes vanwege het platgevormde lichaam door pelgrims in hun kleding konden worden meegenomen na een bezoek aan heilige plaatsen. Pelgrimsflesje werden gedurende de laat-Romeinse periode uitsluitend in een eenvoudige en gladde uitvoering geblazen. Pas gedurende de Vroeg-Byzantijnse periode werd het lichaam soms uitbundig met glasdraad gedecoreerd en in de zesde en zevende eeuw na Chr. zou de ronde en platte vorm van pelgrimsflesjes uiteindelijk drastisch worden gewijzigd in meerzijdig gevormd glaswerk. Pelgrimsflesjes worden dan in meerderheid als hexagonaal gevormde potjes en kannetjes gemaakt, het lichaam wordt daarbij met behulp van een mal voorzien van talrijke religieuze symbolen.

ontstaan van het pelgrimsflesje
Zoals eerder gesteld is het ontstaan van het pelgrimsflesje het gevolg van een historische gebeurtenis. In het jaar 330 van onze jaartelling verplaatste de eerste Christelijke keizer van het Romeinse Rijk, Constantijn de Grote, de hoofdstad van Rome naar de oude stad Byzantium en herdoopte deze officieel met de naam Nova Roma. De stad werd echter snel beter bekend als Konstantinoupolis (Grieks voor stad van Constantijn, in het Nederlands Constantinopel). Rome behield nog een zekere tijd haar politieke en economische privileges maar het rijk werd vanaf dat moment bestuurd vanuit Constantinopel. De eerste gouden periode voor het rijk – ook wel bekend als de vroeg-Byzantijnse periode – duurde van de stichting van deze nieuwe hoofdstad tot in de achtste eeuw na Chr. Het christendom had aan het einde van de vierde eeuw na Chr. de plaats van de goden uit de oudheid overgenomen en was tot officiële godsdienst verheven. Gelovigen binnen het grote rijk wilden de heilige plaatsen bezoeken en zo trokken gedurende de vroeg-Byzantijnse periode al duizenden pelgrims naar het Heilige Land en in het bijzonder naar de heilige stad Jeruzalem. De pelgrims hadden verschillende redenen om juist de tocht naar Jeruzalem te ondernemen. Ze wilden in die stad de sporen van Jezus volgen. Ze dachten in Jeruzalem de aanwezigheid van God beter te kunnen voelen dan thuis. De pelgrim geloofde daar te kunnen genezen van een ziekte of hij verwachtte hulp, advies of vergiffenis te kunnen verkrijgen. Tussen de vierde en de zevende eeuw na Chr. ontwikkelde de bedevaart naar het Heilige Land en in het bijzonder naar Jeruzalem zich tot een massabeweging. Als aandenken aan hun tocht namen de pelgrims graag een souvenir uit het Heilige Land mee naar huis. Dat kon een spijker zijn die was los gepeuterd uit de deur van de Heilige Grafkerk, maar evengoed een olielampje van aardewerk dat gevuld was met heilige olie. Dat stond symbool voor de ziel die ontvlamd werd in het vuur van het geloof. De pelgrim kon in Jeruzalem broodstempels kopen die het brood symboliseerden dat tijdens de eucharistie werd uitgedeeld. Voor hen die het zich konden permitteren waren er waardevolle borstkruizen, wijwatervaten en iconen te koop. De iconen waren geschilderd op vissenschedels als symbool van de wonderbaarlijke visvangst. Maar de pelgrim kon ook een flesje met heilig water kopen om mee naar huis te nemen. Dit water was dan natuurlijk afkomstig uit de Jordaan of uit een van de andere bronnen die in die tijd een speciale betekenis voor de gelovigen hadden. Pelgrimsflesjes zijn door hun typische functie een duidelijk voorbeeld van een regionaal gebonden fabricage.


Romeinse eau de Cologne en Heilige Landlopers

Ook de Romeinen kenden al luchtverfrissers. Het waren uiteraard geen spuitbussen met lavendelgeur, maar flesjes met een kleine opening in de hals zodat een welriekende vloeistof gedoseerd gesprenkeld kon worden als dat nodig of gewenst was. Wat voor luchtjes dat waren is niet bekend, maar misschien was het wel een aftreksel van rozenblaadjes. Ze gebruikten het ongetwijfeld op dezelfde manier als de dames uit de twintigste eeuw dit deden met flesjes Boldoot, in combinatie met een zakdoekje. Op het moment dat Constantijn de Grote het christendom verheft tot staatsgodsdienst trekken ook de eerste pelgrims naar de heilige plaatsen en dat was dan meestal Rome of, meer nog, Jeruzalem. En net zoals de moderne pelgrim een souvenir koopt op de Via Dolorosa, als aandenken aan deze pelgrimage, kocht ook de Romeinse pelgrim een blijvend aandenken aan deze bijzondere tocht. Het was dan geen kameel uit olijfhout gesneden maar een pelgrimsflesje, gevuld met heilig water uit de Jordaan of uit een van de andere heilige bronnen.