Parfumflesjes of unguentaria – Hans van Rossum

De vroegste glasvorm die Romeinse glasblazers hebben gemaakt was simpel van vorm en klein van afmeting. In de moderne terminologie spreekt men van unguentarium of balsamarium. Het is een ampul (ampulla in het Latijn) waarin zalf (unguent in het Engels) of een zalfachtig smeersel werd bewaard, maar het kon ook gebruikt worden voor de opslag van welriekende olieachtige parfum, pigmenten, cosmetische of medicinale stoffen. Deze flesjes werden voornamelijk in het oostelijke deel van het Romeinse rijk in grote aantallen gemaakt. De uitvoering met een buisvormig lichaam was het eenvoudigst te maken omdat er nauwelijks gereedschap bij nodig was. Ook een halfrond of rond flesje was geen enkel probleem voor de glasblazer, want hij kon deze maken zonder het glas zelfs maar te hoeven aanraken. De mondrand werd afgewerkt door deze opnieuw te verhitten en daarna zorgde een roterende beweging van het glas er vanzelf voor dat de mondopening zich verwijdde zodat de rand naar binnen kon worden gevouwen. Unguentaria of balsamaria uit de eerste eeuw na Chr. werden, net als bij andere vormen van glaswerk uit deze eeuw het geval was, veelal geblazen van gekleurd, gemarmerd of opaak glas. Dat werd meer gedaan vanuit praktisch oogpunt dan vanwege de heersende smaak of mode in deze periode. Het gekleurde of opaak glas zorgde ervoor dat de inhoud van de flesjes ongevoeliger werd voor het felle daglicht, meer dan wanneer deze waren gemaakt van helder lichtgroen glas. De vaak kostbare inhoud ondervond hierdoor extra bescherming.

het ontstaan van parfums
Zoals bij iedereen bekend zal zijn geldt voor parfums dat deze door de tijden heen door zowel vrouwen als mannen gewaardeerd werden vanwege het intens en aangenaam geurend luchtje. Ons woord parfum is afkomstig van het Latijn. Het (ver)branden van welriekende substanties op een altaar werd in vroegere tijden pro fumo tribuerre genoemd. Dit betekende zoveel als ‘het vereren van bovennatuurlijke wezens door middel van rook’. In archaïsche tijden werd het verbranden van een aftreksel van groente per fumum genoemd en dat betekent ‘door rook’. Dit verbranden vond plaats tijdens een groot festival dat gehouden werd op 21 april ter ere van de god Pales. Het ritueel was bedoeld om de kuddes vee te zuiveren op het moment dat ze voor het eerst na de winter weer uit hun hokken kwamen. De eenvoudige parfums waren eigenlijk zalfjes of unguents, gemaakt van natuurlijke producten die waren samengesteld uit olijfolie en extracten van bloemblaadjes van de lavendel, de roos, de iris of de jasmijn. In het oude Egypte gebruikten vrouwen deze zalfjes al overvloedig door ze in de vorm van een kegel op het hoofd te plaatsen. Deze kegels werden dan, onder invloed van de lichaamswarmte, langzaam vloeibaar en zo werd het haar als het ware geïmpregneerd met een welriekende vloeistof. De Egyptische balsemers pasten de zalf ook toe bij hun werkzaamheden om het lichaam zo lang mogelijk in goede staat te kunnen houden. De Romeinen op hun beurt waren eveneens bekend met deze welriekende zalfjes en gebruikten ze op grote schaal als echte parfums. Dit paste in de hoge standaard op het gebied van hygiëne in het dagelijkse leven. Het bereiden van parfum is door de eeuwen heen altijd het domein van specialisten geweest. De veelal hoge prijzen die betaald moesten worden voor de benodigde kruiden leidden ertoe dat deze ook in de oudheid al nagemaakt werden. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon, want bekende parfummerken worden ook nu nog steeds nagemaakt.

Dat is tevens de reden dat de parfummakers uit de oudheid de samenstelling van hun parfums strikt geheim hielden. Het procedé werd uitsluitend mondeling van vader op zoon overgedragen. In de Villa van Ariadne in Stabiae en in het huis van de Vettii in Pompeï, Romeinse plaatsen die in het jaar 79 na Chr. door de lava van de Vesuvius werden bedekt, zijn wandschilderingen ontdekt waar een vrouw op staat afgebeeld die bloemen aan het plukken is en deze in puntig gevormde rieten mand doet. Een ander fresco toont cupido’s die parfum aan het bereiden zijn. Romeinse parfummakers uit Pompeï stonden bekend vanwege de technische innovaties die zij bij de productie van parfums hadden toegepast. Zij vernieuwden de samenstelling van de olie die voor de parfums werd gebruikt door het sap van onrijpe olijven en druiven daaraan toe te voegen. Het gebruik van het sap van onrijpe vruchten was al bekend bij de Grieken die het sap omphacia noemden en het toepasten bij medicijnen. De parfummakers in Pompeï gebruikten het echter als eersten bij de door hen vervaardigde parfums. De Romeinse schrijver Plinius was niet zo gelukkig met het gebruik van het sap van onrijpe olijven, want in zijn Naturalis Historia schrijft hij dat dit sap niet alleen getuigt van een armzalige kwaliteit, maar ook dat het zuur is en dat het bovendien vettige plekken achter laat op de kleding. Het sap van onrijpe druiven daarentegen heeft weliswaar kleur noch smaak, maar is niet van invloed op het aroma en het maakt geen vlekken, aldus Plinius. Zo ontstond er dus een verschil tussen parfums en zalfjes, afhankelijk van welke omphacia er werd toegepast.

schoon en helder
In vergelijking met de vroegere kernglasflesjes betekenden de geblazen flesjes een enorme verbetering. Niet iedereen dacht er zo over. Ook nu is het Plinius die een andere mening heeft. Hij vindt dat de Egyptische unguentaria, gemaakt uit een klein blok albast het meest geschikt waren voor het bewaren van welriekende zalf. Jammer voor Plinius, maar flesjes van glas hadden toch onmiskenbare voordelen. Ze waren schoon en helder en dat was zeker niet het geval bij de Hellenistische voorgangers die volgens de kernglas-techniek of van aardewerk werden vervaardigd. Daarin bevonden zich nog allerlei ongerechtigheden. Bij flesjes van glas bestond geen enkel risico dat de inhoud ervan vervuild zou kunnen worden. Dat verklaart wellicht ook dat vroege werkplaatsen van glasblazers zich in de buurt bevonden van centra waar kostbare cosmetische zalf of geurige olie werd vervaardigd. Een van de gebieden met een vroege en belangrijke productie van parfums was Campanië in Italië. Al voor het begin van onze jaartelling was dit gebied de concurrentie aangegaan met parfums die tot dan toe voornamelijk uit de Oriënt werden geïmporteerd. De regio hier had de beschikking over royale oogsten van allerlei fijnsoortige bloemen. Vooral het gebied rond Capua, Neapolis en Paestum stond daar bekend om. De meeste parfum en zalf uit die periode bestond uit extracten van bloemen die ook daadwerkelijk in dit gebied groeiden. De vruchtbaarheid van de grond en het milde klimaat maakten Campanië tot een Hof van Eden voor de parfumindustrie. Toch bestond er in de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. blijkbaar nog steeds veel last van buitenlandse concurrentie. Van keizer Tiberius is bekend dat deze bij de Senaat klaagde over het feit dat de import van buitenlandse parfums de zakken van vreemdelingen vulde met Romeins geld. Op jaarbasis zou het zelfs gaan om het enorme bedrag van 100 miljoen sestertiën. Gezien het feit dat archeologen ook buiten Italië bewijs hebben gevonden voor een levendige parfum- en cosmetica-industrie lijkt de klacht van keizer Tiberius niet helemaal onterecht. Zo zijn in Jeruzalem (Israël) in de kelderruimte van een eerste-eeuwse woning in de directe omgeving van het vroegere Tempelcomplex door archeologen ovens, kookpotten en vijzels ontdekt. Dit bewijst dat deze ruimte een soort van werkplaats is geweest en het vermoeden bestaat dat hier parfum en wierook werd gemaakt voor gebruik in de Tempel. Een andere locatie waar gedurende de eerste eeuw na Chr. parfum en cosmetica werden vervaardigd is ontdekt in En Boqeq, een nederzetting aan de kust van de Dode Zee, eveneens in Israel. Volgens de archeologen die de werkplaats hebben opgegraven bevond zich gedurende de eerste eeuw na Chr. in dit gebied een bloeiende parfumindustrie. Hier werden parfums en cosmetica gemaakt van de balsem- en de palmbomen die in dit gebied volop groeiden.

productie gebieden
Rond het midden van de eerste eeuw na Chr. beschrijft Plinius in zijn eerder genoemde werk dat Egypte het land was dat de beste geurende zalf produceerde, maar dat Campanië met zijn overvloed aan rozen wel direct daarna kwam. Vanuit de productiecentra werden de gevulde unguentaria in grote aantallen gebundeld of in kisten of kratten verpakt en naar Alexandrië en andere plaatsen aan de Middellandse zee verscheept. Dat is af te leiden uit het aantal vroeg geblazen flesjes dat in deze gebieden in graven of in Romeinse nederzettingen is gevonden. In de noordwestelijke gebieden van het rijk werden deze zalfjes nauwelijks gebruikt en unguentaria zijn hier dan ook niet veel gevonden. De oorzaak van het verschillend gebruik is wellicht dat de bewoners van de noordwestelijke provincies geen interesse hadden voor kostbare cosmetische zalfjes of parfums.

In de buurt van Sidon, van oudsher het centrum van de glasindustrie, werden in de eerste eeuw na Chr. bijzondere flesjes geblazen in meerdelige mallen. Dit zeer herkenbare type wordt daarom Sidonisch unguentarium genoemd. Het zijn kleine flesjes die niet alleen rijk gedecoreerd werden, maar tevens in diverse kleuren zijn geblazen. In overeenstemming met de al eerder onder de aandacht gebrachte smaak en mode in die eeuw waren blauw, geel, amber en aubergine de favoriete glaskleuren. Daarnaast werd bij dit type ook veel gebruik gemaakt van opaak glas in wit en licht blauw. De Sidonische unguentaria werden zowel zonder greepjes als met een of met twee greepjes gemaakt. Deze werden meestal in glasdraad van een contrasterende glaskleur aangebracht.

verschil in uitvoering
Hoewel in het algemeen veel vormen zowel in de westelijke als in de oostelijke gebieden van het Romeinse Rijk voorkwamen bestonden er regionaal wel degelijk onderlinge verschillen in de vorm. Unguentaria die als luxe glaswerk konden worden beschouwd werden in de westelijke provincies vaak alleen van monochroom, dunwandig en transparant glas gemaakt. De daarbij gebruikte glastinten varieerden van geel en blauw tot purper en groen. Bovendien was de hals van de in de westelijke gebieden geblazen flesjes relatief vrij wijd. De unguentaria die in de oostelijke gebieden werden geblazen waren normaliter van minder transparant glas gemaakt dat ook nog eens bichroom of polychroom gekleurd was. Tot deze categorie flesjes kunnen onder andere de zogeheten gemarmerde flesjes gerekend worden. Bovendien is de hals van de exemplaren uit de oostelijke gebieden smaller uitgevoerd. Een ander verschil in de uitvoering betreft het gebruik om sommige vormen in het vuur af te sluiten zodat de inhoud hermetisch afgesloten was. In het westen werden verschillende typen unguentaria als glasbollen en zogenoemde vogelflesjes na het vullen met de inhoud dichtgesmolten. Om dan weer bij de inhoud te kunnen komen moest wel een stukje van de top of van de snavel of staart worden afgebroken. In het oosten werd deze wijze van afsluiten niet toegepast. Een andere vorm die uitsluitend in het oostelijk gebied en met name in Syrië en Palestina werd geblazen was het flesje dat omcirkeld was met zeer fijn glasdraad. Het was de oosterse tegenhanger van de ronde bol die eveneens met fijn glasdraad was omwikkeld maar die alleen in het westen werd geblazen. Deze laatste vorm doet sterk denken aan een hedendaagse kerstbal. Een unguentarium met een zeer lange hals en een ovaalvormig en doorgaans klein lichaam eindigend in een lange punt en uitgevoerd met een relatief wijd gevormde mond betreft ook een product dat afkomstig is uit het Oostelijk Middellandse Zeegebied. Unguentaria waarvan het lichaam is voorzien van ribben werden zowel in het Oostelijk Middellandse Zeegebied als in Italië gemaakt. Er bestaat ook een redelijk afwijkend type waarbij het lichaam plat, gedrongen gevormd is. Deze vorm werd alleen in de oostelijke gebieden geblazen.

Waren de unguentaria in de eerste eeuw na Chr. vooral klein gevormd, in de navolgende eeuwen komt daar verandering in. De vorm van het lichaam wordt anders, er ontstaat een zogeheten klokvorm en vooral de hals wordt daarbij fors langer. Tevens ontstaan er unguentaria waarbij het lichaam in diameter weliswaar groot, maar bijna totaal platgedrukt is. Het lijkt meer op een holle schijf en de inhoud van zo’n flesje was daardoor vrij beperkt. Deze typen worden wel kaars-unguentaria genoemd omdat ze doen denken aan een kaarsenstandaard.

latere uitvoeringen
In de derde en vierde eeuw na Chr. ontstaan geheel nieuwe vormen van unguentaria als cosmetica flesjes. Ze worden uitgevoerd met een tweetal greepjes aan weerszijden van het lichaam en bovendien voorzien van een voet. Van een veel later vervaardigd type cosmetisch flesje, het enkel- of dubbelbuisvormige balsamarium, is bekend dat dit in de vierde en vijfde eeuw na Chr. voornamelijk werd gebruikt voor het bewaren van galeniet of galena. Galena is een zwart loodsulfide mineraal dat bij zowel de Egyptenaren als de Grieken en de Romeinen enorm populair was. Een andere naam voor deze flesjes is kohlflesjes. Stukjes van dit mineraal werden tot poeder vermalen en in de flesjes bewaard. Met een bronzen spateltje werden de delen rond de ogen zwart gemaakt, maar het poeder moest dan wel eerst met wat water of olie smeuïg gemaakt worden. Deze vorm van eyeliner gebruikte men om het scherpe zonlicht dat weerkaatste in het zand als het ware te neutraliseren. Tevens bood galena bescherming tegen de talloze hinderlijke vliegjes die in deze gebieden nu eenmaal op grote schaal voorkwamen en nog steeds voorkomen. Ook nu wordt deze stof nog altijd toegepast bij de oogheelkunde en gebruikt door honkballers om hun ogen te beschermen. De specifieke inhoud van kohlflesjes is de reden voor hun afwezigheid in de noordwestelijke provincies van het rijk. Door de omstandigheden in deze gebieden was het gebruik van galena niet nodig en daarom werden ze er ook niet gemaakt of verhandeld. Niet alleen deze dubbelbuisvormige balsamaria maar al het glaswerk dat in de vroegByzantijnse tijd werd gemaakt wordt frivoler en uitbundiger gevormd en gedecoreerd dan gedurende de specifiek Romeinse periode. Mede door de ontstane revival – de hernieuwde belangstelling voor oudere vormen en decoraties – wordt het lichaam weer voorzien van omcirkelende glasdraad. Dit gebeurt op dezelfde manier als in de eerste eeuw na Chr. Bovendien worden de kleurencombinaties weer talrijker en de uitvoering van de greepjes wordt uitbundiger. Niet langer wordt er alleen maar een enkele of dubbele greep toegepast. Er worden flesjes voorzien van tweemal twee greepjes of van een decoratie, waarbij de greepvorm als het ware repeterend langs de hele zijkanten wordt aangebracht. De oorspronkelijk enkel- en dubbelbuisvormige balsamaria krijgen nu soms vier buisjes voor cosmetica. Als extra accessoire wordt een ronde draaggreep aangebracht of zelfs meerdere ronde draaggrepen. Zo ontstaan er torenhoge boogconstructies. Het hoogst bekende meervoudige balsamarium tot nu toe meet 42,5 cm en is gevonden in Samaria (Israël), in een geheime ruimte van wat waarschijnlijk ooit een priestergraf is geweest. Onnodig te stellen dat deze opvallende balsamaria uitermate onpraktisch moeten zijn geweest in het dagelijkse gebruik en om die reden zullen ze waarschijnlijk alleen dienst hebben gedaan bij bepaalde rituelen. Het glaswerk in de laat-Romeinse en vroeg-Byzantijnse perioden kreeg zo de allure van iets dat vandaag beschouwd zou kunnen worden als een product uit de periode van de barok. Het eenvoudige parfum- of cosmeticaflesje uit de eerste eeuw na Chr. is aan het einde van de vijfde eeuw na Chr. dan ook geworden tot een extravagant gebeuren.


Het optuigen van een vrouw is als dat van een schip…
Klassieke auteurs vertellen ons dat de Romeinse vrouw geobsedeerd was door de zorg voor haar uiterlijk. Op een vaak satirische wijze werd hieraan aandacht besteed. Een van hen was Titus Maccius Plautus (circa 254 – 184 v. Chr.), schrijver van een vroeg-Romeins en komisch theaterstuk genaamd Poenulus. Een interessante passage hieruit luidt vrij vertaald als volgt: “Als je als man voldoende werk om handen wilt hebben dan kun je maar het beste een vrouw of een schip aanschaffen. Er is niets anders te bedenken wat meer werk zal bezorgen en problemen zal geven. Allebei moeten ze toegerust en opgetuigd worden, maar nooit is het genoeg. Een vrouw is als een schip, want ook voor haar geldt dat er van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat gewassen, geschrobd, gewreven, gekleed, glad gestreken, geverfd en versierd moet worden. Het is om je te schamen.” De auteur vervolgt: “Wat een plaag schuilt er in één vrouw alleen al, laat staan als je er twee hebt. Dat bezorgt iemand meer dan genoeg problemen. Op elk uur van zowel de dag als de nacht altijd maar kleden, wassen, poetsen en wrijven. In feite weet een vrouw zich niet te beheersen en wij mannen weten ook niet hoe we een limiet kunnen stellen aan dat wassen en schrobben’’. De klassieke auteurs waren dus bepaald niet complimenteus naar de vrouw toe als het om de zorg voor het uiterlijk ging, maar er was blijkbaar ook geen oplossing voorhanden om dit kennelijke probleem op te lossen.