Kannen en karaffen – Hans van Rossum

Na de uitvinding van de blaaspijp werden voor het eerst in de geschiedenis kannen en karaffen in de glaswerkplaatsen van het Romeinse Rijk gemaakt. De ongelooflijke snelheid waarmee deze nieuwe productietechniek zich door het keizerrijk verspreidde werd natuurlijk mede veroorzaakt door gunstige politieke, economische en technische factoren. De regering van keizer Augustus had de bevolking voorspoed en stabiliteit gebracht, want de provincies van het rijk kenden op het moment van zijn overlijden in 14 na Chr. vrede. Snelle communicatie binnen het grote gebied werd daardoor mogelijk en de welvaart en voorspoed die in Rome en eigenlijk in heel Italië heersten zorgden ervoor dat handelaren, ambachtslieden en kooplui vanuit alle hoeken van het rijk naar Italië trokken. Vanuit Syrië trokken glasblazers naar Noord-Italië en waarschijnlijk ook al naar Rome om zich daar te vestigen. In de toenmalige provincie Dalmatië, in Zuid-Zwitserland en waarschijnlijk in Campania ontstonden eveneens glascentra die tot de vroegste van het rijk behoorden. Toen rond het midden van de eerste eeuw na Chr. waarschijnlijk ergens in Italië, de metalen blaaspijp werd ontdekt kon niets de enorme groei van de glasindustrie nog tegenhouden. Tafelglas werd een aantrekkelijk product, zeker nu het snel en massaal vervaardigd kon worden. Daarbij waren gesloten vormen, en dus ook kannen en karaffen, voor een glasblazer het eenvoudigst om vrij te blazen.

verschillende productietechnieken
Kannen en karaffen werden door de Romeinse glasblazers met behulp van drie verschillende technieken gemaakt. Ze konden gewoon vrij worden geblazen, maar ook optisch als toch een zekere decoratie gewenst of gewild was. Door glas in een mal te blazen kon een bijzondere decoratie op het lichaam of op de buik van de kan of de karaf worden aangebracht. De hals en de eventuele greep werd er dan naderhand aan toegevoegd. Er is niet precies bekend wanneer of onder welke omstandigheden het blazen in een mal van glas ontdekt is. Er zijn geen literaire referenties daarover uit die periode bewaard gebleven, uitgezonderd enkele aantekeningen van de geschiedschrijvers Petronius (ca. 27 – 66 na Chr.) en Plinius (ca. 23-79 na Chr.) in hun respectievelijke werken Satyricon (een satirische geschrift) en Naturalis Historia, die hier misschien naar verwijzen. Zij maken beiden melding van het feit dat keizer Tiberius had verboden te spreken over een nieuwe (?) methode die zou zijn ontdekt om glaswerk te maken dat niet meer kon breken en net als dun plaatmateriaal van metaal uitgedeukt zou kunnen worden. Dat is de enige vage referentie die bestaat. Het in een mal blazen van glas dateert waarschijnlijk toch al van eerder en wel uit de tijd van keizer Augustus. Dit wordt gebaseerd op het feit dat de vroegste vondsten van malgeblazen glas, in Magdalensberg in Oostenrijk, opgegraven zijn binnen een archeologische context uit de regeringsperiode van keizer Augustus. Deze vondsten betreffen onder andere een bewaard gebleven deel van een zogeheten tabula ansata, een naamstablet met hendels. De meester-glasblazers Ennion en Aristeas pasten de vorm van deze ‘naamplaatjes’ toe op hun producten, en deden dit met een bepaald doel. Zij behoorden tot de eersten die de techniek van het blazen van glas in een meerdelige mal op een zeer vakkundige wijze beheersten. Vrijwel zeker hebben ze zelf ook beseft dat ze meesters in hun vak waren. Dat maakten ze dan ook graag kenbaar en deden dat door hun producten te voorzien van hun naam. Daar gebruikten ze de vorm van de tabula ansata voor en brachten deze, te midden van de decoraties, aan in de mal. Op het glas stond dan, in het geval van Ennion, te lezen: ENNION EпOIHCE, ‘Ennion heeft dit gemaakt’. Daarnaast was soms ook nog een wens aangebracht in de vorm van de tekst: MNHØH O ATOPAZNΩ, ‘dat de koper mij mag herinneren’. Ennion is de meest bekende meester-glasblazer omdat meer dan dertig producten met zijn naam bekend zijn, maar er waren uiteraard meer meester-glasblazers die hun naam vermeldden op hun producten. Behalve van de al genoemde Aristeas is glaswerk gevonden met de namen van Jason, Meges, Neikaios, M. Licinius Deceus en C. Caesius Bugaddus.

Opvallend voor juist het glaswerk uit de eerste eeuw na Chr. is het brede scala aan glaskleuren dat toen door de glasblazers werd gebruikt. Kleuren als kobaltblauw, ambergeel, aubergine, geelbruin en ook groen in diverse tinten werden op grote schaal toegepast. In de tweede eeuw na Chr. ontstaat er vervolgens een duidelijke beperking in het gebruik van glaskleuren. Daarna zien we in de derde en met name de vierde eeuw na Chr. weer een hernieuwde opkomst van divers gekleurd glas. Mode en smaak hebben hierbij zeker een rol van betekenis gespeeld. Overigens is uit de tweede eeuw na Chr. veel minder luxe tafelglas in de vorm van malgeblazen kannen en karaffen bekend. Waarschijnlijk hebben de dan massaal in mal geblazen vierkante, rechthoekige en ronde transportflessen alle aandacht van de glasblazers opgeëist. Zij verlegden hun werkterrein van particuliere klanten naar de zakelijke markt. Uit economisch oogpunt zal de productie hiervan veel lucratiever geweest zijn, zeker voor zover het de westelijke provincies van het Romeinse Rijk betreft. Het maken van gecompliceerde mallen, die bovendien maar een beperkte tijd meegingen, was veel tijdrovender dan de fabricage van eenvoudige strakke en gladde mallen, die ook een veel langere levensduur hadden. Het Oostelijk Middellandse Zeegebied had blijkbaar minder last van deze vorm van competitie want uit dat gebied kwamen gedurende die periode nog wel in mal gevormde luxe glasproducten, voornamelijk uit de Syrisch-Palestijnse regio. Een specifiek voor de derde eeuw na Chr. kenmerkende vorm hebben de zogeheten druivenflesjes, karafjes die in een mal voorzien zijn van het patroon van een druiventros. Druivenflesjes werden in een driedelige mal geblazen. Twee vertikale mallen waren nodig voor het lichaam en de derde mal voor de onderzijde met een stukje opstaande rand. Doorgaans werden op het buiklichaam tien of elf rijen van elk eenentwintig bolletjes gevormd om zo bij het karafje het uiterlijk van een druiventros het dichtst te benaderen. De opvallend gevormde schouderlaag, alsmede de hals en de mond werden vrijgeblazen en naderhand op het lichaam bevestigd.

ontstaan van nieuwe vormen
In de vierde eeuw na Chr. ontstaan nieuwe vormen van decoraties bij in mal gevormde kannen en karaffen. Een vertikaal aangebracht ribpatroon wordt nu op grote schaal als decoratie bij veel kannen en karaffen toegepast. Een ander nieuw dessin bestaat vooral uit zich herhalende cirkelmotieven. De cirkels zijn dan voorzien van centraal aangebrachte bolletjes. In sommige gevallen was het patroon complexer en werd het uitgebreid met kruisvormige motieven die samen met de cirkels binnen een rechthoek werden geplaatst. Het eerder beschreven druivenpatroon blijft gedurende de vierde eeuw nog enige tijd toegepast, zij het dat dit nu werd toegepast op schenkkannetjes. Toen de metalen blaaspijp was ontdekt en intensief werd gebruikt bestond er nog geen kennis van de pontiltechniek. De mogelijkheid om een pontil te gebruiken om zo de bovenzijde van het glas af te kunnen werken werd jaren later ontdekt. Tot dan toe werden gesloten vormen waarschijnlijk tijdens het verhitten geklampt om de mondrand te kunnen afwerken. Bij open glasvormen werd de mondrand gebruikelijker wijze afgebroken, mits het glas daar dun genoeg voor was. Daarna kon hij geschuurd en gepolijst worden. Een bewerkelijke methode, zeker als het vergeleken werd met het blazen van een hals en mond en het simpel omvouwen van de mondrand. Nadat men de pontiltechniek had ontdekt werd het afwerken van zowel gesloten als open vormen een stuk eenvoudiger. Monden konden nu snel worden afgewerkt door de mondrand om te vouwen. Dat gaf de glasblazer weer nieuwe mogelijkheden. Doordat in combinatie met de metalen blaaspijp er nu ook grotere postjes glas konden worden gebruikt werden de glasobjecten eveneens groter. In de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. worden kannen en karaffen merkbaar groter.

vroege kannen
De vroege en eerste vrijgeblazen kannen weerspiegelen de vorm van contemporaine kannen van aardewerk. Het lichaam is daarbij peervormig, halrond of gedrongen bolvormig. Er zijn nog meer specifieke kenmerken voor de kannen uit de eerste eeuw na Chr. Zo hebben ze een relatief smalle hals en de greep is niet alleen fraai en strak gevormd, maar ook op een opvallende plaats bevestigd. In tegenstelling tot de bevestiging van de greep bij later geblazen kannen, die aan de onderzijde of tegen de zijkant van de mond werd gehecht, zien wij dat in geval van vroege kannen de greep onder een vrijwel rechte hoek en direct aan het bovenste deel van de hals werd gehecht. Het glas van de greep werd ook niet voorzien van een duimsteun en evenmin werd het eerst nog gevouwen voordat het aan de hals werd gehecht. Dit zijn allemaal uitvoeringsdetails die later wel zouden worden toegepast. Kannen en karaffen uit de volgende eeuwen vertonen een enorme diversiteit aan vormen, afmetingen en uitvoeringen. Enerzijds zijn er kannen en karaffen als tafelglas die opvallen door vorm, forse afmeting en stevig uitgevoerde greep. Anderzijds ontstaan er ook tal van kleine, en vooral sierlijk gevormde kannen, kannetjes en karaffen die ongetwijfeld ook onderdeel uitmaakten van het tafelservies. Daarnaast was er een enorme productie ontstaan van diverse gevormde transportflessen en grote voorraadpotten met of zonder deksel om het geheel af te kunnen sluiten. Deze laatste categorie werd eveneens gebruikt als grafurn. De manier waarop bij vooral de grotere kannen en flessen de grepen of handvaten werden uitgevoerd en vormgegeven is verrassend. Er werd duidelijk veel aandacht besteed aan dit onderdeel. Grepen worden bij luxe glaswerk veelal van een contrasterende glaskleur gemaakt en vaak op een elegante manier gevormd en aangebracht. Daarbij wordt menigmaal een zogeheten duimsteun geplaatst zodat het schenken uit de kan makkelijker gaat. De vorm van het lichaam bij een vrijgeblazen kan of karaf kon helemaal bolrond zijn. Maar ook werd het lichaam peervormig uitgevoerd of in een halfronde vorm. In incidentele gevallen werden als het ware twee bolvormen tegen elkaar gesmolten en voorzien van een handgreep. Waar deze specifieke vorm voor werd gebruikt is niet bekend, maar wellicht hebben ze verschillende oliën of sauzen bevat. Aan de uitvoering van de ronde mond werd de nodige aandacht besteed. Glaswerk uit de vierde eeuw na Chr. heeft niet langer uitsluitend een rond gevormde mond. De zogeheten klaverbladvorm met schenktuit ontstaat. Bij het schenken is dit uiteraard doelmatiger en praktischer.

De Romeinse glasblazer maakte ook miniatuur kannetjes. Kleine voorwerpen van slechts een paar centimeter hoog en helemaal geïmiteerd van de grote exemplaren. Het is niet bekend voor wie deze bestemd waren of wat er mee werd gedaan. Het lijkt voor de hand liggend dat ze bedoeld waren voor kinderen, maar ze zijn ook als bijgift in het graf van volwassenen aangetroffen.

uitbundiger decoraties
Kannen en karaffen die onderdeel waren van het Romeinse tafelservies werden steeds meer en fraaier gedecoreerd. De glasblazer werkte daarbij met glasdraad dat bijvoorbeeld in mooie en gelijkmatig aangebrachte horizontale lijnen werd opgelegd. Bij andere kannen bestond de decoratie uit grillig en in zigzag motief aangebrachte glasdraden. Deze werden soms op hun beurt weer afgewisseld met cirkelvormig aangebracht glasdraad. De hals werd daarbij niet vergeten en in veel gevallen voorzien van een halsring terwijl bovendien de onderzijde van de ronde of klaverbladvormige mond werd gedecoreerd met glasdraad. Er zijn ook karaffen waarbij de dikke glasdraad, na gebruik om er greepjes van te vormen, aan twee kanten werd getrokken tot aan de onderzijde van het flesje. Vervolgens werd de glasdraad dan met een tang op regelmatige afstanden uitgeknepen waardoor een geheel nieuwe vorm van decoratie ontstond. Om kannen en karaffen meer stabiliteit te geven werden deze nu algemeen voorzien van een voet. Deze kon gemaakt worden van een holle en soms fraai gevormde glasring die tegen de onderzijde werd aangezet. Een andere voetvorm was een glasschijf met het uiterlijk van een diabolo. Talrijk waren de mogelijkheden en dus ook de uitvoeringen hiervan.

Vooral aan het eind van de derde en gedurende de gehele vierde eeuw na Chr. werden in een mal eenvoudige decoraties aangebracht met de bedoeling deze vergroot weer te geven op de kannen en karaffen. Meestal werd daar een vertikaal ribmotief voor gebruikt dat op deze manier op het lichaam kon worden aangebracht. Vervolgens werd het glas uit de mal verwijderd en verder uitgeblazen. Tijdens het blazen was het noodzakelijk dat de glasblazer met de glaspijp een roterende beweging maakte zodat het glas zijn vorm zou behouden. Omdat het achterste deel van het glas dan een snellere beweging maakte dan het voorste gedeelte werden de aangebrachte ribben vervormd en ontstond er een diagonaal patroon van ribben. Deze manier van vrij blazen wordt optisch blazen genoemd. Dat is dus het vrij uitblazen van in mal geblazen gedecoreerd glas met de bedoeling de decoratie te vergroten of van richting te doen veranderen.


In Kannen en kruiken

Romeinen hadden hun zaakjes in kannen en kruiken. Vanaf de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. werden er in een zeer eenvoudige uitvoering al schenkkannen en karaffen geblazen. Aan het eind van die eeuw ontstaan meer luxe uitgevoerde kannen, karaffen en flessen en in steeds grotere aantallen. De Romeinen vonden het prettig, dat glaswerk. Geuren en smaken hechtten zich er niet in vast. Het was glad, schoon, fris, helder en transparant. Bovendien kon je van een afstand zien wat zich in een kan of fles bevond. Dit laatste is misschien wel de reden dat vooral kannen in de meeste gevallen van licht gekleurd glas werden gemaakt. Ideaal om al de verschillende soorten wijn of vruchtensappen in te bewaren. Ja, de Romeinen hadden hun vloeibare zaakjes echt in kannen en kruiken.