Een olieflesje voor het badhuis – Hans van Rossum

“Men moet geen badolie in een glazen flesje mee naar het badhuis nemen (want het kan breken en letsel veroorzaken).” Derekh Erezt Rabbah (ca.160 – 220 AD)

Het bovenstaande advies van een Joodse geleerde uit de Romeinse tijd om geen olie in een glazen flesje mee te nemen als men het badhuis binnen ging, is weinig opgevolgd. Met het glazen olieflesje werd ongetwijfeld de aryballos bedoeld en juist dit type flesje is gedurende ruim drie eeuwen continu in de Romeinse thermen gebruikt. De naam thermen is afgeleid van het Griekse thermós, wat warm betekent. Thermen waren een badcomplex met onder andere warme en koude baden. Eigenlijk is er niet zo veel verschil met onze moderne thermen met eveneens warme en koude baden, waar men zich ook kan laten masseren met geurende olie. De thermen waren voor de Romeinen van groot belang. Het was niet alleen de plek waar men naar toe ging om er schoon vandaan te komen, maar ongetwijfeld ook een belangrijk ontmoetingspunt voor het voeren van gesprekken, het aangaan van discussies of het doen van (geld)zaken. De thermen waren in feite ideale locaties voor het leggen en verder uitbouwen van sociale en zakelijke contacten.

het nuttige met het aangename verenigen
De aryballos was in de Romeinse tijd een onafscheidelijk accessoire voor de bezoeker van de thermen. Hij droeg de aryballos aan een koordje of een draaggreep van huis mee. Bij het binnenkomen van een thermengebouw was daar eerst het apodyterium (kleedruimte) waar mannen en vrouwen zich gescheiden uit konden kleden. Bij kleinere thermencomplexen was er vaak maar een kleedruimte. Dan had men voor mannen en vrouwen verschillende openingsuren. Na het uitkleden konden de kleren opgevouwen worden neergelegd op de daarvoor bestemde en onderling van elkaar gescheiden plankruimte. Vervolgens werd dan het caldarium bezocht. Dit was de ruimte voor de warme baden. De temperatuur lag hier boven de 40 graden bij een vochtigheidsgraad van 80 tot 90%. Het warmwaterbad in deze ruimte werd het alveus genoemd. Daarin openden zich de poriën van het lichaam en kwam het vuil naar buiten. Daarna bracht men een bezoek aan het sudatorium (de zweetruimte), enigszins vergelijkbaar met de hedendaagse sauna. Hier werd het in het lichaam achtergebleven vuil er nog eens extra uitgestoomd. Daarna was er nog een bezoek mogelijk aan het tepidarium, een lauwwarme ruimte. Ook kon men zich door een masseur laten insmeren met de olie uit de aryballos. Dan werd de huid gekneed en met deze olie ingesmeerd, waarna er zand over het lichaam werd gestrooid. Nadat de olie in het zand was getrokken werd met een strigilis (schraapijzer) het zand met de daarin opgenomen olie en vuil van het lichaam geschraapt. Het lichaam was dan weer schoon en rook fris omdat aan de olie een geurige stof was toegevoegd. Om de poriën weer te laten sluiten was het wel nog noodzakelijk om in bad in het frigidarium (koude ruimte) te stappen. Dit reinigingsritueel heeft zich vanaf de eerste eeuw van onze jaartelling tot in de vierde eeuw na Chr. dagelijks talloze malen ook in Heerlen afgespeeld. Daar ligt immers het grootste tot nu toe ontdekte Romeinse thermencomplex binnen de Benelux. Op zich was dat geen vreemde locatie, want er was hier een militair versterking van enige omvang. Zoals bijna altijd het geval was bij een dergelijke versterking in de Romeinse tijd ontstond er al snel ook een bloeiende nederzetting. De aanwezigheid van soldaten gaf niet alleen een veilig gevoel, maar werkte tevens als een magneet op handelaren, ambachtslieden en boeren die de grond in de omgeving van het fort gingen bewerken. In het eeuwenlange bestaan van de thermen in Coriovallum zijn daar duizenden aryballoi door Romeinse burgers gebruikt. Daarbij zullen er ongetwijfeld ook vele beschadigd of zelfs gesneuveld zijn in de badruimtes, want glas geeft nu eenmaal niet mee. Aryballoi werden altijd voor hetzelfde specifieke doel gebruikt, maar de wijze waarop deze flesjes werden gemaakt of uitgevoerd was niet altijd gelijk. Niet alleen de verschillende vormen en uitvoeringen zijn talrijk, maar ook de kleuren van het daarbij gebruikte glas en de wijzen van decoreren of afsluiten van de aryballos. Wanneer was voor het eerst sprake van een vorm die aryballos genoemd zou gaan worden?

het verhaal achter de aryballos
Er is geen andere glasvorm uit de oudheid bekend die de lange geschiedenis van dit flesje evenaart, of het zou de oinochoe – een schenkkan – moeten zijn. De vroegste voorbeelden van de aryballos gaan terug tot het Egypte van de achttiende dynastie (1550 – 1292 v. Chr.). Met een aryballos werd oorspronkelijk een bolrond gevormd oliekruikje van aardewerk uit de zevende eeuw v. Chr. aangeduid. De Griekse term bleef echter van toepassing op deze vorm toen tijdens de Griekse en Hellenistische periode de kruikjes van glas met de kernglas-techniek werden gemaakt. De naam aryballos wordt vervolgens eveneens gebruikt als aanduiding voor de bolvormig glazen olieflesjes uit de Romeinse periode. De naam is dan meer een typeaanduiding geworden dan dat deze nog per definitie verwijst naar de oorspronkelijke bolronde vorm. Een Romeinse aryballos kan een bolrond, maar evengoed een halfrond, een plat en gedrongen of zelfs een hexonaal (zeszijdig) gevormd lichaam hebben. In al deze gevallen wordt dit olieflesje een ampulla olearia, ofwel een aryballos genoemd. De vroege exemplaren van geblazen aryballoi ontstaan in de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. in de glasproductiecentra in het Oostelijk Middellandse Zeegebied, met name in de kustgebieden van Syrië en Palestina. Ze zijn herkenbaar aan de relatief lange hals en hebben meestal greepjes die van glasdraad in een contrasterende kleur zijn gemaakt. Voor zover bekend zijn er nauwelijks complete exemplaren of fragmenten hiervan opgegraven in het Syrisch-Palestijnse gebied. Daarom wordt vermoed dat de mono- en bichroom (enkel- en tweekleurig) en de polychroom (meerkleurig) uitgevoerde aryballoi gemaakt werden voor de export naar gebieden waar het gebruik van thermen toen al een belangrijke rol speelde in het openbare leven. Men moet dan denken aan de Pontische staten en de steden aan de Dalmatische kust. Daar zijn namelijk vondsten van de vroege aryballos gedaan, vooral in polychroom uitgevoerde aryballoi. Dit geldt ook voor Noord-Italië en de daaraan grenzende gebieden (in Zwitserland in Vindonissa en Locarno), Pompeï, het Egeïsche gebied, de Krim en andere gebieden van Klein-Azië. Het lijkt daarom aannemelijk dat in Noord Italië en in de naburige regio’s ander productiecentra van althans de polychrome variant van de vroege aryballos hebben gelegen. De werkplaatsen hier zouden heel goed gedurende de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. kunnen zijn opgericht door Syrische immigranten. Deze kleurrijke variant werd vanaf de jaren 20 – 30 van onze jaartelling gemaakt en bereikte zijn hoogtepunt rond het jaar 50. Vrij spoedig daarna zou er al weer een einde gekomen zijn aan de productie, want na 70 wordt het polychrome glas nauwelijks meer toegepast. Dat zou het gevolg kunnen zijn van de ontdekking van de metalen blaaspijp en de daarmee vereenvoudigde wijze van produceren alsmede van de gelijktijdige standaardisatie van het glaswerk. Het kan ook zijn dat dit polychrome glas rond die periode uit de mode is geraakt. Ook mode speelde gedurende de Romeinse tijd immers al een belangrijke rol.

toegepaste glaskleuren
Wat betreft de kleur van het glas bij deze vroege vorm van de aryballos zien wij verhoudingsgewijs veel exemplaren die gemaakt zijn in de kleuren kobaltblauw en amber, al dan niet gecombineerd met opaak wit. Veel zeldzamer is de uitvoering in gespikkeld glas, ook wel splashed-glass genoemd. Dit gespikkelde glas, dat bichroom of polychroom kan zijn, ontstaat door het uitleggen van witte of meerkleurige glaschips op de marver, een gladde en platte steen. De glasblazer rolt een heet bolletje glas door de witte of gekleurde chips totdat deze opgenomen zijn en één geheel vormen met het glasbolletje. Daarna wordt het geheel uitgeblazen tot de gewenste afmeting. Vervolgens wordt de glasvorm nogmaals over de marver gerold om zodoende een heel glad oppervlak te krijgen. Toen de aryballoi met een metalen blaaspijp geblazen gingen worden ontstond er niet alleen een vorm van standaardisatie in de uitvoering maar ook in de kleur van het glas. De meeste aryballoi werden vanaf dat moment gemaakt in de eenvoudigste kleur, het blauwgroen. Deze kleur is simpelweg het gevolg van het gebruik van de grondstof zand, dat door ijzeroxiden verontreinigd was. Toch kon een bepaalde blauwgroene kleur kenmerkend zijn voor specifieke productieregio’s. Glaswerk dat in het Rijnland werd gemaakt had bijvoorbeeld een iets afwijkende en typische blauwtint die in het Duits ‘blaulichgrün’ wordt genoemd. Die blauwgloed wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van bepaalde metaaloxides in het zand ter plaatse. Deze blauwachtig groene kleur is een variant op de meer algemene blauwgroene kleur dat het Romeinse glas uit het Oostelijk Middellandse Zeegebied kenmerkt. Er bestond wel een mogelijkheid om de verontreiniging in het zand te neutraliseren, maar deze handelswijze was uiteraard bewerkelijker. Desondanks werd dit op grote schaal gedaan in de Romeinse glasateliers van Keulen en Alexandrië. De glasblazer voegde dan vooral mangaanoxide aan het zand en soda toe. Ook het gebruik van zeer zuiver kwartszand resulteerde in het verkrijgen van min of meer helder glas. Als zilver werd toegevoegd ontstond een geel gekleurde glastint en om mooi diep blauw te verkrijgen moest er kobalt worden toegevoegd. Zoals eerder gesteld komt de kleur kobaltblauw bij de vroege uitvoering van de aryballos veelvuldig voor. Bij de latere met de metalen blaaspijp geblazen dikwandige uitvoeringen is deze kleur echter uitermate zeldzaam geworden. Het ‘University of Pennsylvania Museum’ in Pennsylvania (USA) bezit een zeer zeldzame opaak blauwe aryballos met witte oortjes en een decoratie van geslepen ringen op de buik. Vooral het begin van de eerste eeuw na Chr. kenmerkt zich dus door het gebruik van allerlei verschillende kleuren. Naarmate deze eeuw vorderde zien wij steeds meer eenvoudig blauwgroen en later ook geelgroen (olijfkleurig) glas ontstaan. Voor het Rijnland blijft dit de eerder beschreven en typisch blauwachtig groene tint.

verschillend gevormde aryballoi
De vorm van de aryballos is bij de dikwandige olieflesjes in verreweg de meeste gevallen bolvormig, maar er bestaan ook andere vormen. Zo kennen we aryballoi met een gedrongen en enigszins ingedrukte bolvorm en voorbeelden van een hexagonale vorm. In de afmetingen bestaat ook een enorme variatie. In de omgeving van Bonn zijn aryballoi gevonden met een hoogte van slechts 21 – 24 mm. Wellicht waren deze miniaturen bedoeld als bijgift in een kindergraf, want dit formaat was natuurlijk niet praktisch voor gebruik in de thermen. Een hoogtemaat van ca. 50 mm. komt veelvuldig voor. In de musea van Tongeren (België) en Amiens (Frankrijk) en van het Franse Departement Seine-Maritieme zijn er vele voorbeelden van te zien. De meest gebruikelijke hoogtemaat voor een aryballos is ongeveer 60 tot 80 mm. Er zijn echter ook exemplaren bekend met een hoogte die fors groter is en zelfs meer dan 200 mm. kan bedragen.

gewijzigde vorm en grootte
De kleur van het toegepaste glas was niet het enige dat met de komst van de metalen blaaspijp in de tweede helft van de eerste eeuw na Chr. door de daarop volgende standaardisatie en massaproductie van de aryballoi veranderde. De aryballoi konden nu net als de kannen en flessen groter worden uitgeblazen, omdat er met de metalen blaaspijp meer glas kon worden gebruikt. Die ontwikkeling zien we vooral in de tweede en derde eeuw na Chr. toen er zeer grote aryballoi werden geblazen. Deze werden van zowel dik als mediumdik glas gemaakt. Tot op heden is nog niet precies duidelijk waar deze grote exemplaren voor zijn gebruikt, want om daarmee aan je pols rond te lopen in de thermen moet toch behoorlijk lastig geweest zijn. Wellicht fungeerden de grote uitvoeringen thuis als voorraadpotten voor de olie of werden ze alleen gebruikt in de particuliere thermen in de grote villa’s. Een ander gevolg van het kunnen werken met grotere ‘’postjes’’ glas was dat de aryballoi toen een dikkere wand kregen, waardoor de kans op breuk of beschadiging kleiner werd. De meest bijzondere en afwijkende vormvariant van de aryballos betreft de hexagonale uitvoering. Hoewel de benaming aryballos hier niet op zijn plaats lijkt, wordt deze in het vakjargon gewoon gebruikt om een zeszijdig gevormd olieflesje mee aan te duiden. Volgens de literatuur is slechts een klein aantal vondsten van hexagonale aryballoi bekend en in alle gevallen lag de vindplaats in de westelijke provincies van het rijk. Naast de overeenkomst in de zeszijdige ofwel hexagonale vorm bestaat er ook verschil in het uiterlijk. Er is een duidelijk onderscheid tussen een gedrongen type en een meer hogere en tevens afgeslankte vorm. Behalve in de vorm wijkt ook de wijze van vervaardigen van de hexagonale variant af van alle andere aryballoi. Bij de laatste is altijd sprake van vrij geblazen glas, terwijl het lichaam van de hexagonale aryballos in een mal geblazen moest worden om er de karakteristieke vorm aan te geven. Alleen de hals met de mond was vrij geblazen. De laatste variant op de vorm van het badflesje betreft de ringvormige aryballos. Het is een ronde vorm, die van de aryballos is afgeleid, maar dan geproduceerd als een zogeheten ‘pelgrimsflesje’, ook wel lentoid-flask genoemd. In het midden van de buik bevindt zich een ronde doorgang, waardoor het flesje de vorm van een ring heeft. Het feilloos aanbrengen van een ronde doorgang in het glasobject is een ingewikkelde techniek die een gedegen vakmanschap van de glasblazer vereist. Waarschijnlijk zien wij in de ringvormige aryballos het resultaat van een experiment waarmee een locale glasblazer een nieuwe vorm trachtte te ontwikkelen met behulp van een zelf bedachte techniek. In het blijkbaar geslaagde experiment heeft de glasblazer een zekere productieomvang gehad, want vondsten maken duidelijk dat er meerdere gelijksoortig gevormde exemplaren zijn gemaakt. Opmerkelijk is de kleur van het glas bij deze ringvormige aryballoi, die geen blauwgroene maar in alle gevallen een lichte olijfgroene of vaal geelachtige kleur hebben. Van ringvormige aryballoi zijn vondsten bekend uit Frankrijk en Duitsland. Deze bevinden zich in musea in Lyon en Amiens en in Keulen, Trier en Frankfurt.

het maken van mond en oortjes
Er zijn verschillende manieren waarop de mond van een aryballos werd gevormd. In een aantal gevallen werd, bij uitsluitend vroege exemplaren, de mond gevouwen in de vorm van een triangel. Daartoe is het glas van de mondrand eerst naar buiten gevoerd, vervolgens schuin omhoog en naar binnen gevouwen. De typische verhoogde vorm die iets weg heeft van een triangel is kenmerkend voor een productie in de eerste eeuw na Chr. Een andere vorm van de mond wordt een collar-rim genoemd, een kraagrand. De rand werd eerst naar buiten gevouwen, dan naar beneden, vervolgens omhoog en weer naar binnen. Bij een kraagrand is duidelijk te zien dat deze vorm is geïmiteerd van op dat moment gangbaar aardewerk. Een dergelijke rand werd door de pottenbakkers van Pergamon in Klein-Azië op grote schaal bij hun aardewerkpotten toegepast. De eenvoudigste manier om een mond van een aryballos te maken was deze eenvoudig en glad af te werken. Het glas werd dan eerst horizontaal naar buiten gebracht en weer terug naar binnen gevouwen. In het vuur werd de mond dan verder glad gemaakt. Veel van de kennis over het gebied van herkomst van aryballoi op basis van de verschillend uitgevoerde monden danken we aan een wetenschappelijke studie (1987) van Sorokina. Ook de wijze waarop de oortjes of greepjes bij de aryballoi zijn uitgevoerd en in hoeverre deze uitvoering en vorm kenmerkend zijn voor een zeker productiegebied werd in dat onderzoek betrokken. Greepjes of oortjes werden bij aryballoi op een verschillende wijze gevormd en aangebracht. De manier waarop dit gebeurde hangt direct samen met de periode waarin ze werden gemaakt of met het gebied van herkomst. Zo werden de greepjes bij de vroege en dunwandige aryballoi vervaardigd van dik glasdraad dat op de schouder van het flesje werd aangezet. Het glasdraad werd vervolgens omhoog gevoerd om net onder de rand van de mond weer naar beneden gebogen te worden, vervolgens gevouwen en dan tegen de hals aan bevestigd. De wijze waarop de oortjes bij deze vroege aryballoi zijn aangebracht is eigenlijk min of meer identiek aan de wijze waarop de oortjes of greepjes bij het kernglas uit de Hellenistische periode werden gevormd en aangezet. Soms werd voor het draadglas de glaskleur van de buik gebruikt en dan spreken we weer over monochroom. In andere gevallen was dit glas contrasterend van kleur en dat staat zoals eerder vermeld voor bichroom.

Na de ingebruikname van de metalen blaaspijp rond het jaar 70 van onze jaartelling werden de aryballoi niet alleen groter en zwaarder, maar ze kregen ook anders gevormde greepjes. Zo werden oortjes als rondjes helemaal los van de hals op de schouder aangebracht. Andere oortjes of greepjes werden op de schouder aangebracht en vervolgens tegen de mond bevestigd. Ook kennen we oortjes die een vorm hadden die lijkt op het silhouet van een dolfijn en daarom dolfijnoortje worden genoemd. Deze vorm verwijst naar een productie in het noordwestelijk deel van het Romeinse Rijk en specifiek naar werkplaatsen rond of in Keulen. Verreweg de meeste aryballoi zijn voorzien van twee greepjes, maar er bestaan ook olieflesjes met drie of zelfs vier greepjes. Deze zijn echter zeer zeldzaam.

het mooier maken
Het grootste deel van de bolronde en dikwandige aryballoi was niet voorzien van decoraties op de buik. Uiteraard bevestigen ook hier de uitzonderingen weer de regel. Van de aryballoi uit de noordelijke kustgebieden van de Zwarte Zee werd een aantal flesjes voorzien van horizontale groeven, die volgens een bepaald bandpatroon horizontaal op regelmatige afstand in het lichaam zijn geslepen. De productie hiervan heeft waarschijnlijk ergens in het Middellandse Zeegebied plaatsgevonden zonder dat vastgesteld kon worden waar precies. Aryballoi die voorzien zijn van deze rondgeslepen groeven als decoratie en met een kraagrand zijn uitgevoerd werden waarschijnlijk in Klein-Azië vervaardigd. In Karanis (Egypte) is een aantal aryballoi opgegraven met rondom geslepen groeven op de buik die vervaardigd zijn van kleurloos glas. Er zijn ook decoraties bekend waarbij de buik met een glasdraad werd omwikkeld. Deze aryballoi zijn doorgaans gevonden in het noordwestelijk deel van het Romeinse Rijk en zouden verwijzen naar een productiecentrum in Keulen. Uit die regio komen ook aryballoi waarbij de glasdraad van de (dolfijn)oortjes verder doorloopt naar beneden. Om een extra decoratief effect te verkrijgen is in een aantal gevallen het onderste deel van deze draad ook nog op regelmatige afstand met een tang uitgeknepen. Zeldzaam zijn voorbeelden van aryballoi, die in een mal zijn geblazen met de bedoeling het gehele lichaam te voorzien van een patroon. Er is een uniek exemplaar bekend dat op deze manier van een ruitpatroon is voorzien.

het afsluiten van de olieflesjes
De mond van de aryballos kon ook worden afgesloten. Dat gebeurde meestal met behulp van een bronzen stopper of een dop. Deze waren vaak aan een bronzen schakelketting bevestigd om ze niet te verliezen. De aryballos kon gedragen worden aan een koordje of metalen kettinkje, maar ook werd er een draaggreep van brons toegepast. Deze hulpmiddelen voor het dragen werden met ringen door de greepjes bevestigd. Het metaal is meestal in de loop der tijd door oxidatie vergaan, maar in een enkel geval is het in ongekend goede staat bewaard gebleven. Een geheel andere wijze voor het afsluiten van de mond is het incidentele gebruik van een prop witte substantie wat waarschijnlijk bijenwas of gips was, zoals ook wel bij flessen en kannen gebeurde. Een grappig voorbeeld hiervan betreft de aryballos die hier is afgebeeld. De bijenwas of gips is in dit geval niet zoals gebruikelijk netjes in de opening van de mond aangebracht maar als een grote dot over de mond heen gevormd. Omdat de vorige eigenaar niet op de hoogte was van het gebruik van andere materialen dan stopper of dop in de oudheid meende hij dat de inhoud van het flesje in de graftombe een chemische reactie moet hebben veroorzaakt en als het ware ‘geëxplodeerd’ was. Dit had volgens hem de kalkachtig ogende prop veroorzaakt. Nadat hij vervolgens pogingen had ondernomen deze ‘ongerechtigheid’ te verwijderen bleek dat de mond in de oudheid al gebarsten was. Daarom had een dop of stopper als afsluiting niet meer het beoogde resultaat en had de Romeinse bezitter van de aryballos heel de mond in bijenwas of gips verpakt. Wetenschappelijk onderzoek moet nog uitwijzen of de prop van bijenwas of gips is. Nog een opvallende bijzonderheid bij deze aryballos betreft de wijze waarop een van beide greepjes is aangebracht. In alle tot nu toe bekende gevallen hechtte de glasblazer de glasdraad voor de greep eerst op de schouder om deze vervolgens omhoog te voeren, de draad te vouwen en aan de hals of mond te hechten. De glasdraad is dan op de schouder dik en loopt naar boven toe dun uit, omdat de glasblazer als het ware aan de draad trekt. Ook bij deze aryballos is de glasblazer traditiegetrouw begonnen met de hechting van de glasdraad op de schouder. Bij het vervolgens uittrekken van de glasdraad is deze waarschijnlijk losgeraakt van de al op de schouder gehechte glasdot. De glasblazer is toen in omgekeerde richting verder gegaan en heeft de glasdraad eerst aan de hals heeft bevestigd. Vervolgens heeft hij toch keurig de haast traditioneel gebruikelijke vouw erin gelegd om de glasdraad daarna op de al aanwezige glasdruppel op de schouder te bevestigen. Deze gang van zaken kan vastgesteld worden uit het gegeven dat de glasdraad aan de bovenzijde dik is en naar beneden toe dunner wordt. Zo kunnen ongelukjes uit de oudheid als glasbreuk of pech in de vorm van een gebroken glasdraad bij de fabricage van het object zelf worden afgelezen.


Zand er over

Iedere Romeinse stad van enige omvang had een openbaar badgebouw of zelfs meerdere, thermen genoemd. In deze thermen kon men niet alleen baden maar zich ook laten masseren. Men werd dan met heerlijk ruikende olie ingesmeerd waarna er dun zand over het lichaam werd gestrooid. Als de olie met het lichaamsvuil in het zand was opgenomen werd dat met een strigilis van het lichaam geschraapt. Maar de thermen hadden in het leven van alledag nog een belangrijke functie. Het was ook het sociale buurtcentrum voor die tijd. De mensen bespraken er het nieuws, voerden hier discussies en speelden met elkaar bordspelletjes.