Kunstcollectie

Collectie

 

Schilderijen en tekeningen

Het Dordts Patriciërshuis bezit een collectie schilderijen en tekeningen van Dordtse schilders, die werkzaam waren aan het einde van de 18e - begin 19e eeuw. Bijzonder zijn de haardstukken in de voorkamers van de Dordtse kunstenaar Cornelis Kuipers. Deze schilder was een tijdgenoot van de veel bekendere broers Abraham en Jacob van Strij.

Cornelis Kuipers is geboren op 23 juli 1739 als zoon van Hendrik Kuipers en Cornelia van Nispen. Hij brengt zijn leertijd door in Den Haag en vestigt zich na zijn opleiding weer in zijn geboortestad Dordrecht. Naast schoorsteenstukken schildert Kuipers landschappen, bloemstukken en een groepsportret van de Dordtse familie Blussé. Tevens vervaardigt hij een serie behangselschilderijen. Deze zijn helaas in een zeer slechte staat en bevinden zich in het Stadsdepot van Dordrecht.

Kuipers overlijdt op 4 december 1802. In het begraafregister van de Grote Kerk is op 10 december 1802 genoteerd: “Cornelis Kuipers, op ’t Bagijnhof, laat kinderen na, met de lijkkoets ten 11 uren”.

De collectie bevat naast werken van Cornelis Kuipers, ook werken van onder andere A. Schouman, J.C. Schotel en L. de Koningh. Verder heeft het museum kunstwerken en 18e eeuwse gebruiksvoorwerpen in bruikleen gekregen van het Dordrechts Museum en het museum Huis van Gijn.

 

Meubels

De inrichting van het Dordts Patriciërshuis bestaat uit een brede collectie meubels in Lodewijk XVI-stijl en diverse gebruiksvoorwerpen uit die periode. Deze stijl is vernoemd naar de laatste koning van Frankrijk, Lodewijk XVI (1754-1793).

De laatste jaren van de achttiende eeuw heeft Europa te maken met een economische neergang. Dat heeft zijn weerslag op de meubelstijlen. De zwierige rococo maakt plaats voor een meer sobere vormgeving: de Louis XVI-stijl.

 

Gebruiksvoorwerpen

Het Dordts Patriciërshuis heeft een verzameling achttiende eeuwse gebruiksvoorwerpen om het tijdsbeeld in het knusse huismuseum compleet te maken.

 

Koekplanken

Koekplanken zijn typisch Hollandse gebruiksvoorwerpen. Ze doen hun intrede in de achttiende eeuw en zijn dan veelal gemaakt van tropisch hardhout. Het snijwerk is van hoge en erg verfijnde kwaliteit. Soms worden de vormen in die tijd ook gebruikt om suikerwerk mee te maken. 
De twee aanwezige, grote koekplanken zijn gesneden uit iepen hout en zijn qua formaat groot maar niet uitzonderlijk. De planken zijn 117 cm lang en 36 cm breed met afbeeldingen van Abraham en Sarah. Deze planken zijn altijd als stel gemaakt, en in dit geval, bij elkaar gebleven. Aan de kwaliteit van het snijwerk is de plank te dateren als laat achttiende eeuws.

 

Stoven

In de zestiende eeuw doet de stoof ’s winters zijn intrede tijdens zeer lange kerkdiensten en reizen met een rijtuig. In de kerk komt alleen de gegoede burgerij in aanmerking voor het gebruik van de stoof. Deze wordt in de kerk bewaard en is daarom vaak voorzien van een eigen kenmerk zodat de stoof aan het begin van de dienst bij de juiste eigenaar kan worden gebracht. Kenmerken van eigenaar zijn vaak een nummer, initialen of een opvallend snijwerk.
De stovenverzetsters zorgen ervoor dat de stoof bij de juiste eigenaren komt. Zij moeten zich tijdens de dienst aan allerlei reglementen houden. Zo mogen zij bijvoorbeeld niet op klompen of muiltjes lopen. Na de dienst moet de koster nauwkeurig controleren of al het vuur uit is.

 

Lepelrekken

Tinnen lepels werden in vroegere tijden bewaard in een lepelrek. Vaak heeft elk gezinslid zijn eigen lepel op zijn eigen plaats in het rek. De meeste lepelrekken zijn vervaardigd aan het eind van de achttiende en begin van de negentiende eeuw. Zo ook het rek in het museum. De plank is vermoedelijk gemaakt van notenhout. De tinnen lepels zijn gebruikt voor het eten van bijvoorbeeld pap, een gerecht dat geregeld op de Hollandse tafel stond als hoofdmaaltijd.

 

Likeurkeldertjes

Dordts Patriciërshuis, Museum aan de Maas heeft een houten likeurkeldertje waarbij de deksel op halve hoogte scharniert. Het kistje is gemaakt van eikenhout en belijmd met mahonie en buxushout. In de deksel is het glas zo bevestigd dat het niet makkelijk eruit kan vallen. 
Onderin bevinden zich vier likeurflessen die met goudmotieven zijn versierd. Deze keldertjes werden gemaakt vanaf het einde van de achttiende eeuw tot aan ongeveer 1900. Dit exemplaar is uit het eerste kwart van de negentiende eeuw.